Hitte kan einde betekenen voor fijnspar in de Ardennen

Aanhoudende hitte en droogte laten steeds duidelijker hun sporen na in de bossen. Bekende boomsoorten als beuk, berk, eik en linde staan onder druk. Voor de fijnsparren in de Ardennen is de situatie nog ernstiger. Als zich de komende jaren opnieuw enkele extreem droge zomers voordoen, kunnen deze karakteristieke sparrenbossen binnen tien jaar grotendeels verdwenen zijn.
Wekenlange hitte zonder voldoende neerslag zorgt ervoor dat de bodem steeds verder uitdroogt. Bomen kunnen dan onvoldoende water opnemen om hun kroon te onderhouden. Sommige soorten reageren zichtbaar door hun bladeren vroegtijdig te laten verkleuren of vallen. Bij andere bomen neemt de groei af of sterven delen van de kroon af.
Volgens Kris Vandekerkhove van het Vlaamse Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) heeft iedere boomsoort zijn eigen strategie om met droogte om te gaan. De beuk valt snel op, doordat verdrogingsverschijnselen bij deze soort goed zichtbaar zijn. Maar ook de berk blijkt slecht bestand tegen langdurige droogte. Omdat berken vaak als kleinere bomen tussen andere soorten in een bos staan, blijft hun achteruitgang gemakkelijker buiten beeld.
Letterzetter profiteert
Het meest alarmerend is de toestand van de fijnspar in de Ardennen. De soort neemt een aanzienlijk deel van het Waalse bosareaal in, maar heeft de afgelopen jaren al veel terrein verloren. Tienduizenden hectares fijnspar zijn inmiddels afgestorven.
De directe oorzaak is vaak de letterzetter. Deze kleine schorskever maakt gangen onder de bast en belemmert daarmee de sapstroom. Gezonde fijnsparren kunnen een aanval doorgaans met hars afweren. Na een lange droge periode beschikken de bomen echter over onvoldoende water en energie om zich effectief te verdedigen. De letterzetter krijgt daardoor alle ruimte om verzwakte bomen aan te tasten.
Koude en natte perioden remmen normaal gesproken de ontwikkeling van de kever. Door zachtere winters en langere, warmere zomers kan de letterzetter zich sneller vermenigvuldigen en soms meerdere generaties per jaar voortbrengen.
Daar komt bij dat de fijnspar van nature thuishoort in koelere gebieden van Midden- en Noord-Europa en in bergachtige streken. De soort werd ongeveer een eeuw geleden op grote schaal in de Ardennen aangeplant voor de houtproductie. Door het veranderende klimaat bevindt de fijnspar zich daar steeds verder buiten zijn optimale groeigebied.
Vandekerkhove waarschuwt dat bij enkele nieuwe extreme zomers vrijwel alle fijnsparren binnen vijf tot tien jaar uit Wallonië verdwenen kunnen zijn. De grootschalige sterfte die eerder in Duitsland en Tsjechië werd waargenomen, laat zien hoe snel die ontwikkeling kan verlopen.
Ook beuk kwetsbaar
Voor beuk, eik, berk en linde is het vooruitzicht minder dramatisch. Deze soorten zullen niet volledig uit onze regio verdwijnen, maar hun groeiplaats wordt steeds bepalender.
Beuken op droge zandgronden lopen bijvoorbeeld extra risico. Hetzelfde geldt voor bomen in versteende stedelijke omgevingen, waar weinig ruimte is voor wortelgroei en regenwater snel wordt afgevoerd. Ook oude beukendreven zijn kwetsbaar. De bomen staan daar vaak in een open landschap, zonder de beschutting en het vochtige microklimaat van een gesloten bos.
Eigenaren zullen daardoor vaker moeten kiezen tussen het langer behouden van verzwakte bomen of een geleidelijke vervanging door soorten die beter tegen hitte en droogte bestand zijn.
Niet simpelweg bomen uit het zuiden halen
Het zoeken naar alternatieven is ingewikkelder dan het importeren van boomsoorten uit Spanje of Zuid-Frankrijk. Het toekomstige klimaat in Noordwest-Europa wordt geen exacte kopie van het huidige Zuid-Europese klimaat. Bomen krijgen hier waarschijnlijk te maken met droge en hete zomers, maar ook met natte winters, wateroverlast en late voorjaarsvorst.
Daarom wordt onder meer naar de Balkan gekeken. Boompopulaties zijn daar plaatselijk gewend aan zowel strenge winters als warme, droge zomers. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar andere herkomsten van soorten die hier al groeien. Een bredere genetische basis kan de kans vergroten dat bomen zich aan extreme weersomstandigheden aanpassen.
Aan het verplaatsen van soorten en herkomsten kleven echter risico’s. Met plantmateriaal kunnen ziekten en plagen meekomen. Een nieuwe boomsoort kan bovendien als tussengastheer dienen voor een aantasting die inheemse bomen bedreigt.
De omschakeling blijft daarom een zorgvuldige evenwichtsoefening. Niets doen is geen optie, maar te snel nieuwe soorten introduceren kan eveneens problemen veroorzaken. Gemengde bossen met verschillende soorten en herkomsten lijken voorlopig de beste uitgangspositie.
Het verdwijnen van de fijnspar maakt duidelijk hoe snel klimaatverandering het bomenbestand kan veranderen. De opgave is niet langer om het bestaande bosbeeld koste wat kost te behouden, maar om bossen zo samen te stellen dat ze ook onder sterk wisselende weersomstandigheden kunnen blijven functioneren.