Azalea’s, camelia’s en een vleugje thee: hoe Italië een nichemarkt veroverde

De professionele teelt van zuurminnende planten kent in Italië een lange geschiedenis. Al in de tweede helft van de 19e eeuw begonnen enkele tuiniers aan de Piemontese kant van het Lago Maggiore, die werkzaam waren in de parken van de statige villa’s in de omgeving, dankzij hun ervaring en het besef dat er veel vraag was naar deze planten, met hulp van hun families een eigen bedrijf op te zetten voor de teelt van azalea’s, rododendrons en camelia’s. Deze planten waren het meest geschikt voor het gebied, gezien de zure aard van de lokale bodem. In de parken en tuinen in de omgeving zijn nog steeds zeer oude exemplaren te vinden, die nu soms worden gebruikt als moederplanten om ‘oude’ variëteiten opnieuw op de markt te brengen.
Jarenlang bevoorraadden familiebedrijven de lokale markt. In de jaren zeventig kwam er een eerste keerpunt: de pioniersfase van de ‘industriële’ sierteelt in Italië ontwikkelde zich ook in deze gebieden. Dankzij de grote vraag naar deze planten schakelden veel traditionele boeren over op sierteelt, met teelt in de volle grond, wat werd vergemakkelijkt door de zure bodems van het gebied en de lage temperatuurvereisten (dankzij de nabijheid van het meer). Hierdoor werd het mogelijk om planten te kweken, zelfs in relatief goedkope constructies zoals schaduwkassen en tunnels.
Veel kleine telers sloegen de handen ineen om grote afzetcoöperaties te vormen. Het assortiment planten is in de loop der jaren ook uitgebreid: naast de meest gebruikte soorten azalea's, rododendrons en zowel voorjaars- als herfstbloeiende camelia's, zijn er in de loop der tijd ook gewassen zoals Japanse esdoorns, Pieris, Kalmia en andere ‘minder bekende’ zuurminnende planten aan toegevoegd. Andere belangrijke producten zijn speciale azaleasoorten (zoals bladverliezende soorten, van de ‘Mollis’- tot de ‘Knap Hill’-groepen), rododendrons (R. yakushimanum, R. catawbiense, enz.) en grote exemplaren. Ook vormsnoei, zoals bollen, halve bollen, hoogstammen, kubussen en – voor camelia’s – meerstammige variëteiten zijn bestsellers.
In dezelfde periode begon de professionele teelt ook in andere Italiaanse regio's, zoals Toscane (de streek rond Lucca was ook historisch gezien belangrijk voor camelia's) en Lazio, met name in het district Latina.
Een andere belangrijke stap was de overgang van vollegrondsteelt naar containerteelt: enerzijds stelde dit Italiaanse kwekers in staat hun variëteiten naar verschillende Noord-Europese landen te exporteren, maar het vereiste ook geavanceerdere en duurdere infrastructuren, namelijk grotere tunnels en kassen. Italiaanse kwekerijen gaven er de voorkeur aan niet rechtstreeks met België en andere landen te concurreren op het gebied van kleine azalea's, maar richtten zich in plaats daarvan op grotere producten, uitstekende kwaliteit en planten die doorgaans niet in Noord-Europa worden gekweekt: daarom werd de camelia het belangrijkste product op de Italiaanse markt.
De groei van de kwekerijen werd belemmerd door de grote economische crisis die in 2006 begon: veel kleine bedrijven sloten hun deuren, sommige werden overgenomen door collega's, maar de productie daalde niet significant; zelfs vandaag de dag zijn Italiaanse bedrijven in staat om aanzienlijke hoeveelheden zuurminnende planten te produceren en te exporteren.
Een van de kwekers aan het Lago Maggiore introduceerde enkele jaren geleden de teelt van Camellia sinensis, de theeplant. Naast de verkoop van de planten, ook een commercieel succes, is hij ook begonnen met de productie van een ‘Made in Italy’-thee die zeer gewaardeerd wordt op de elite-markt en in Italië wordt gedistribueerd door een groot gespecialiseerd platform, zowel via winkels als online verkoop.
Auteur: Aldo Colombo